jan 122013
 

Tijdens de laatste OCMW-raadszitting van de legislatuur 2006-2012 hield onze OCMW-mandataris Constant Meeussen volgende tussenkomst:

Een moment van bezinning . . . .

even terug naar het verleden . . .
een bezorgde blik naar de toekomst toe . . .
en een welgemeend woordje van dank . . .

Hiermee zit de legislatuur 2006 – 2012 er op en voor de meesten van ons betekent dit een definitief afscheid van deze OCMW raad.
Ondanks een dikwijls tegengestelde kijk op de dingen, wil ik toch, over partijgrenzen en ideologische meningsverschillen heen, mijn waardering uiten voor mijn collega’s in deze raad. Enkel de tijd zal de ultieme scheidsrechter zijn als het gaat over gelijk of ongelijk, maar uiteindelijk betrachten we toch allemaal hetzelfde, n.l. zij die door brute pech of eigen schuld in de penarie geraakt zijn een helpende hand toereiken.

Laat ons daarom even de tijd nemen voor een moment van bezinning om wat het OCMW voor ons en de maatschappij door de eeuwen heen al betekend heeft en laat ons hiervoor even teruggaan naar het verleden.

Georganiseerde zorg is als dusdanig niets nieuw. Sinds het concilie van Tours in 567, deed de Kerk al aan armenzorg en in de middeleeuwen deden adellijke dames aan liefdadigheid via de Tafels van de H. Geest, de “Armentafels”.

In 1527 vaardigde Keizer Karel een ordonnantie uit voor het oprichten van stedelijke “Gemene Beurzen” maar eigenlijk bleef zieken en armenzorg een taak van de Kerk.

Pas onder de Franse bezetting op het einde van de 18de eeuw, (op de val van Antwerpen na in 1585, de grootste ramp die onze bevolking ooit is overkomen), werd in 1796 armenzorg een gemeentelijke bevoegdheid.

Doordat de Franse revolutionairen de kerkelijke bezittingen hadden aangeslagen en verkocht als zwart goed om hun vele oorlogen te bekostigen, kwam de kerkelijke geldbron immers droog te staan.

De ouderen onder ons kennen nog wel de Commissie van Openbare Onderstand, in de volksmond beter gekend als “Den Arme”. Inmiddels zijn we dan al in 1925.

Deze terugblik maakt duidelijk dat de, destijds in 1976 geïnstalleerde OCMW’s, stoelen op historische fundamenten en een blijvende noodzaak zijn in een samenleving die nooit perfect zal zijn.
Vanaf toen ook, werd maatschappelijke dienstverlening niet meer beperkt tot enkel gratuite liefdadigheid en werd het takenpakket van het OCMW fel uitgebreid.
Wij kunnen nu heel wat mensen in tegenstelling tot vroeger een toekomstperspectief aanbieden.
Tegelijk en dit is heel belangrijk, om te beletten dat deze raad zijn neutraliteit in het gedrang zou komen in de behandeling van zijn specifieke materie, kreeg hij van de wetgever bewust een autonomie die hem toelaat onafhankelijk van de gemeentepolitiek te functioneren.
En juist daarover maken we ons toch wel meer dan bezorgd naar de toekomst toe.

Want in een recente uitgave van OCMW-Visies, handelend over: “Enkele administratieve vereenvoudigingen van het ontwerp Gemeente- en OCMW- decreet”  lezen we :

Het zou niet de bedoeling van de decreetgever zijn dat het OCMW zou worden opgeslorpt door de gemeente en bij wijze van spreken  een sociaal filiaal van die gemeente zou worden, die enkel een uitvoeringsopdracht zou hebben onder curatele van de gemeente. Maar zal dit op termijn toch niet het geval zijn . . . “.   Verderop in de tekst wordt dit dan wel wat afgezwakt,  maar ik frons voor minder mijn wenkbrauwen.

Nog niet helemaal bekomen doorblader ik de “Inspiratienota voor het nieuw bestuursakkoord”. Luister mee :

Voor de sereniteit inzake de individuele beslissingen omtrent de toekenning van maatschappelijke dienstverlening ware het beter dat deze verschuiven van de agenda van de raad voor maatschappelijk welzijn naar een apart bijzonder comité voor sociale dienstverlening. Het ontwerp van wijziging van het OCMW- decreet stipuleert dat zo’n comité uit vier tot zeven leden bestaat. Om hiermee geen aanleiding te geven tot extra uitgaven aan zitpenningen, luidt het voorstel vanuit de administratie om dit comité steeds voorafgaand aan de plenaire zitting te laten vergaderen en de zitpenning van beide organisaties gelijk te stellen aan de helft van het bedrag van de zitpenning voor de gemeenteraad, zodat maximaal één zitpenning dient betaald.”

Wat is er fout aan de structuur van het huidige OCMW systeem?
Wat is de meerwaarde van hele en halve raadsleden?
Wie gaat er bepalen wie 100% mag deelnemen in de besluitvorming en wie maar 50%? Welke almacht gaat dat beslissen?
Als het gaat over kostenbesparing.

Nu we toch al, bijna letterlijk, op de schoot zitten bij de gemeente is er in die context niets tegen integratie van de administraties. En die 6.000 euro die we recupereren door een eventuele afschaffing van een uitgehold vast bureau, is beslist ook meegenomen.

Mààr, laat ons niet naïef wezen. Met de beste bedoelingen bezielt om de beste structuren te scheppen voor ons OCMW, kunnen we zonder van enig kwaad bewust zijnde, gebruikt worden door een lobby die in Vlaanderen al langer aan de poten van de OCMW stoel knaagt.

Boer let op uw kippen. Want voor ge er erg in hebt, komt ge op een dag tot de onthutsende vaststelling dat ge als autonome instelling niet meer bestaat.
Zie ik de zaken te somber in? Ik hoop het, maar er zijn er nog die mijn bezorgdheid delen en niet van de minste.

In een stukje uit OCMW-Visies van 2009 drukt Marino Keulen, toenmalig minister in de Vlaamse regering, dienaangaande ook reeds zijn twijfels uit :

De steunverlening rechtstreeks in de stedelijke- of gemeentelijke administratie onderbrengen zou een stap terug zijn. In de voorbije 30 jaar hebben de OCMW’s bewezen dat het systeem met een afzonderlijke rechtspersoon werkt. Er is een democratisch aangeduide raad die de noodzakelijke politieke controle uitvoert. De individuele steunverlening werd volledig gedepolitiseerd en het algemeen sociaal beleid van de OCMW’s kan worden gevoerd met enige afstand van de dagdagelijkse politiek .”

Onze groep van sociale werkers, eigenlijk het hart van ons OCMW, die daarvoor ter beschikking staan onder de leiding van Patrick, torst daarom een enorme morele verantwoordelijkheid om zichzelf te blijven bewijzen. Uiteindelijk heeft men de hoede over hen die behoren tot de zwaksten in onze samenleving. Daarom vraagt dit van onze mensen, niet alleen een stuk stielkennis, maar ook evenveel roeping. Een pluim dus voor Patrick en zijn team, die ondanks de veelheid aan dossiers, deze correct weten te behandelen en te duiden in de raad.

Wat de taak van Kristof betreft, onze nieuwe ontvanger.
Maatschappelijk leed is moeilijk te herkennen in cijfers en tabellen. Centen zijn echter wel onontbeerlijk om dit leed te leningen en als dusdanig is hij een noodzakelijk maar dikwijls te weinig gewaardeerd iemand in het OCMW.  Met deze dan ook onze waardering voor iemand die te dikwijls in de schaduw werkt.
Hierbij toch een kanttekening.

Centen zijn inderdaad onontbeerlijk en het OCMW beschikte daarom in het verleden over een gevuld spaarpotje tegen slechtere tijden. De gemeente echter, heeft toenmaals vlakaf gezegd dat zoiets voor een OCMW niet hoeft. Nu de gevolgen van de crisis nog maar pas beginnen door te dringen en ook hier de 7 Bijbelse magere jaren voor de deur staan is het OCMW zijn spaarpot leeg en een stukje financiële autonomie kwijt.
Dat het ooit anders is geweest, ter illustratie nog een geschiedkundig weetje.
Het toenmalige “Hals bed”, nu de huidige Eikenlaan, was de aardeweg  van Ploeghalle tot aan de kerk en werd verhard in 1848/1849. Het eerste geld, zijnde 2000 Fr. kon de gemeente lenen van “Den Armen”, de Commissie van den Openbare Onderstand.
Het kan verkeren zei Bredero al in zijn tijd.

Terug naar de huidige tijd.
Alhoewel onze secretaris Kristof, de laatste tijd tot een fysiek lichtgewicht is herleid, blijft hij in zijn functie een zwaargewicht. Petje af voor de manier waarop hij de hele administratieve mallemolen als een goed geolied machientje draaiende weet te houden. Zeker nadat die zware brok van het woonzorgcentrum er nog bij is gekomen. Chapeau Kristof.
Ooit begonnen als piepjonge secretaris (onze oud-voorzitter de Louis, zal het allemaal nog wel weten), is hij doorgegroeid tot een topmanager met een maturiteit en kwaliteit het Zoerselse OCMW waardig.

Paul, onze nog wél lijfelijk zwaargewicht voorzitter, wordt , zo denk ik, door iedereen gewaardeerd voor de manier waarop hij de raadszittingen leidde, iedereen aan het woord latende met af en toe wat humor en een speldenprik, zodat, hoe lang het ook duurde het nooit vervelend werd. Zittend hier met hem aan mijn linkerzijde leek het mij soms of wij zaten hier in een scène van Den Dikke en den Dunne, een soms bizarre combinatie die toch werkt wanneer respect wederzijds is. Paul, ik denk niet dat ik enkel in mijn persoonlijke naam spreek, als ik zeg dat gij een goede voorzitter waart.

En over dat werken gesproken nog. Graag zou ik hebben dat onze voorzitter mijn appreciatie, alsook deze van mijn beide fractievrienden, Jan Beuckelaers en Hugo Bulckens, overbrengt aan al onze OCMW –medewerkers : de gezinszorg, de poetsdienst, de maaltijdbedelers, de mensen van de karweidienst en al wie van ver of dichtbij, bij het OCMW betrokken is, maar last but not least alle administratieve medewerkers in dienst van het OCMW, waarop wij steeds konden rekenen.

Aan iedereen een welgemeende dank.

In naam van onze fractie rest mij nu enkel nog iedereen in zijn persoonlijke levenssfeer het allerbeste toe te wensen. Een goede gezondheid en veel heil en zegen op al uw wegen in uw verder leven.

Vaya con Dios en aan iedereen nog een ouderwetse Zalige Kerstmis toegewenst.

Stan Meeussen                                                                                 20 december 2012.